Historisch Museum Ede

Textiel

De collectie textiel omvat circa 1500 items. Deze verzameling bestaat uit meer dan alleen kleding en is erg divers. Het belangrijkste onderdeel is de Edese klederdracht met zijn fraaie mutsen. Daarnaast verzamelt het museum modedracht, schoeisel en kinderkleding tot circa 1960. Naast het lijfgoed (onderkleding) bevat de collectie linnengoed (tafellakens, handdoeken, lakens, slopen en matrashoezen). Het museum beschikt eveneens over een fraaie collectie merk- en stoplappen, kleedjes en andere handwerken. Het museum legt zich tevens toe op het verzamelen van lesmateriaal voor naai- en handwerk.

 

Klederdracht

Onder invloed van de Doleantie werd aan het einde van de negentiende eeuw het religieuze leven zwaarder. Voor Ede en omstreken had dat grote gevolgen. De klederdracht werd volledig zwart. Alleen de vrouw mocht een spierwitte muts dragen. Rond 1900 bestond de dracht voor de vrouw uit een zwart jak met lange wijde rok. Onder de rok werd minimaal één onderrok gedragen, er overheen een schort. Omdat de kleding van de vrouw geen zakken had droeg zij een wit katoenen onderzak (dijzak). Deze zak was bereikbaar via de splitten in de rok en onderrokken.

Op het hoofd werd doorgaans een hoofddeksel gedragen. Thuis een gebreide en/of gehaakte huismuts, doordeweeks op straat de eenvoudige "rotsmuts" en op zon- en feestdagen de kanten knipmuts. Om de muts schoon te houden en het kant goed uit te doen komen droeg men hieronder een zwart ondermutsje. Het demonteren, wassen, stijven en opnieuw opmaken van de rotsmuts en de knipmuts was veel werk.

Met behulp van plooiijzers, -rekjes en veel stijfsel werden de ronde en scherpe plooien steeds weer in orde gemaakt. Hoe rijker de boer was des te mooier was de muts van zijn vrouw en dochters. Breed kant in de nek en een groot aantal plooien getuigden vanveel geld. Vandaar het spreekwoord: "Wie het breed heeft, laat het breed hangen". Na de Tweede Wereldoorlog was de Edese klederdracht volledig verdwenen. Deze kostuums worden nu alleen nog maar voor shows en braderieën uit de kast gehaald. De verzameling mutsen illustreert de ontwikkeling van de muts in Ede in de tweede helft van de negentiende eeuw van de modieuze cornet naar de typische knipmuts. Rond 1900 wordt de achterstrook steeds langer. Wanneer de vrouw in de rouw was, droeg zij geen kant. Deze luxe behoorde niet bij de rouw. Etiquette bepaalde de duur en de hevigheid van de rouw. Gedurende de zware rouw werd ondoorzichtige katoen (batist) gebruikt. Tijdens de halve rouw droeg de vrouw eenvoudige tule of doorzichtige katoen. Het mannenpak bestaat uit een dik wollen driedelig zwart pak. Hieronder droeg hij dik ondergoed en een boerenkiel met los zwart plastron. Op het hoofd een zwarte pet.

 

Modieuze kleding

Niet iedereen droeg dracht. De mensen die werkzaam waren in de middenstand, het onderwijs en de industrie volgden in meer of mindere mate de mode, afhankelijk van de financiële situatie.De bewoners van de grote villa's aan de Stationsweg gingen uiteraard gekleed volgens de laatste mode. Deze mode veranderde steeds sneller, terwijl de dracht bijna onveranderd bleef. In de modekostuums werden vaak kostbare stoffen als zijde gebruikt. Onder invloed van de burgermode gingen de boerinnen over hun knipmuts een klein hoedje dragen, het kapothoedje.

 

Merk- en stoplappen

Wanneer vroeger een meisje ongeveer 10 jaar was, moest zij leren naaien. De schriftjes en nadenlappen in de collectie van het museum getuigen hiervan. Bekender zijn echter de merk- en stoplappen. Kleding werd pas weggegooid nadat het veelvuldig was versteld. De meisjes leerden klassikaal stoppen. Het resultaat werd uitgewerkt op de stoplap. Deze lappen tonen hoe kunstig en nauwkeurig moest worden gestopt en zijn erg kleurig. Door het gebruik van twee kleuren per stop was het voor de leerling gemakkelijk om het patroon uit te tellen en voor de juffrouw sneller om fouten op te vinden.

De oudste stoplap in de collectie dateert uit de achttiende eeuw. De oudste merklap in de collectie dateert zelfs uit de zeventiende eeuw. Veel oudere lappen zijn er niet te vinden. De merklappen laten zien hoe goed de meisjes het alfabet en de cijfers in kruissteek konden borduren. Dit moest een jonge vrouw kunnen, daar het wasgoed gemerkt diende te worden. In kruissteek werd met rode draad de initialen van de eigenaar/drager en het aantal van het stuk geborduurd. De aantallen vertellen ons hoe groot de uitzetten vroeger waren. Doorgaans werd de merklap opgevrolijkt met traditionele borduurpatronen. Door de datum en de initialen van de maakster zijn deze lappen historisch gezien goed te plaatsen. Daarnaast bezit het museum een gevarieerde verzameling borduurwerk en kant op kleedjes en dergelijke.

 

Tweede wereldoorlog

Kleding 2e WO Meerdere collectiestukken zijn gerelateerd aan de oorlog. In een poging Ede en omstreken te bevrijden werden in september 1944 luchtlandingen uitgevoerd op de Edese heide. De militairen lieten hun groene en anders gekleurde parachutes onbewaakt achter. De Edese bevolking stroopte met gevaar voor eigen leven de heide af, in de hoop parachutes te vinden. In tijden van nood kun je veel gebruiken. De parachutes werden omgetoverd tot kledingstukken als bloesjes, pyjama's en japonnen. De collectie van het museum beschikt over twee groene bruidsjaponnen. Deze japonnen zijn gemaakt van de zogenaamde parachutezijde. Deze stof was echter al lang niet meer gemaakt van echte natuurzijde. Sinds de uitvinding van nylon in 1938 werden de parachutes van nylon gemaakt. Deze stof leek op zijde en was net zo sterk. Nylon is snel droog, maar bleek niet zo prettig te zijn in het dragen.

 

Accessoires

Om bij een opstelling een volledige figuur neer te kunnen zetten verzamelt het museum natuurlijk ook de accessoires die bij een japon of pak horen. Naast heren- en dameshoeden, tassen en handschoenen beschikt het museum over een behoorlijke collectie schoenen. De boerenbevolking droeg doorgaans klompen. Deze voetbedekking werd volledig op de hand gemaakt. Met behulp van een groot arsenaal aan gereedschap sneed de klompenmaker uit twee houten blokken een paar nieuwe klompen.

 

Heidehoogheden

Een klein aantal japonnen valt op door de paarse kleur. Dit zijn de gewaden die de Edese heidekoninginnen en –prinsessen hebben gedragen. Jaarlijks wordt voor de gemeente Ede een nieuwe heidekoningin en –prinses gekozen. Deze dames openen bepaalde happenings en maken reclame voor Ede.De heidekoningin heet Calluna en de heideprinses Erica. Dit zijn de namen van twee heidesoorten. Omdat deze heideplantjes paarse en witte bloemen dragen is de kleding van de heidehoogheden altijd uitgevoerd in paars en eventueel wit. De collectie kronen, japonnen en mantels is klein. Het museum houdt zich aanbevolen voor creaties van heidehoogheden van weleer.

Omdat de kostuumcollectie van het museum helaas niet veel kledingstukken van voor 1880 bevat hebben de medewerkers zich toegelegd op het vervaardigen van replica's (kopieën) naar authentieke patronen. Het voordeel van deze replica's is dat zij bij uitzondering op een kostuumshow kunnen worden getoond.

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic